Quantcast

Brandbrief vanwege zomertekort wijkverpleging

10-07-2017

2017-07-10

De vakbond van verpleegkundigen V&VN heeft de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid vorige week een brandbrief gestuurd. Onderwerp is het personeelsgebrek in de thuiszorg: “Het is niet meer te doen.” Met de brandbrief wil de vakbond de problemen in de thuiszorg in het voetlicht zetten.

In de brief roept de vakbond het ministerie op om iets te doen aan het personeelstekort in de wijkverpleging. Dat tekort zal deze zomer extra nijpend zal worden. “De wijkverpleging ziet met angst en beven de zomer op zich afkomen”, staat in de brief. Veel professionals en mantelzorgers zijn op vakantie, er is minder capaciteit in de ziekenhuizen en dus meer hulpvragen van collega-zorgaanbieders.


Eind 2016 was er een tekort van 1.000 wijkverpleegkundigen. Volgens V&VN loopt dit tekort snel op, omdat er steeds meer wijkverpleegkundigen nodig zijn. Er is ook een tekort aan verzorgenden in de wijk: vacatures staan lang open, het verloop is groot. “Om alle afgesproken zorg te kunnen leveren, werken verzorgenden in de wijk bijna standaard meer dan hun contracturen. Ze hebben veel gebroken diensten. De loyaliteit is groot; niemand laat een cliënt in de steek.”

“Mensen vertellen ons ook dat ze  twee keer zoveel uren werken als hun contract, en werkdagen maken van 14 uur. Het is echt heel erg.” V&VN hoopt dat het nieuwe kabinet naar de ouderenzorg als geheel zal kijken, omdat problemen in de ene sector gevolgen hebben voor de andere. Denk bijvoorbeeld aan de druk op de spoedeisende hulp van ziekenhuizen doordat ouderen niet naar huis kunnen.

“Het personeelstekort in de wijk is structureel, en zal ook na de zomer niet opgelost zijn.  Maar extra geld geeft wel mogelijkheden om te investeren in scholing en verdieping en geeft ook ruimte om tijdelijk personeel aan te trekken.” Ook stelt  V&VN dat er voldoende eerstelijnsbedden beschikbaar moeten komen. De beroepsvereniging hoopt dat de personeelstekorten door de brief onderwerp van gesprek zullen zijn bij de Kamercommissie.

Bron

327